Wetenschappelijke achtergronden en onderbouwing


COPD (chronic obstructive pulmonary disease) is een longaandoening bestaande uit emfyseem en chronische bronchitis. De meest voorkomende symptomen die COPD-patiënten ervaren zijn kortademigheid en vermoeidheid (1). Door deze symptomen wordt fysieke inspanning voor veel patiënten een onprettige ervaring, wat leidt tot fysieke inactiviteit en een afname in de fysieke capaciteit van een patiënt. Hierdoor zullen de symptomen steeds sneller gaan optreden, waardoor deze patiënten alsmaar inactiever worden. Zo ontstaat een vicieuze cirkel (2, 3), die daarnaast kan leiden tot psychologische problemen, een verminderde zelfredzaamheid en een slechtere kwaliteit van leven (4).

In Nederland zijn er zo’n 600.000 mensen die lijden aan COPD (5). Deze aandoening behoort tot de zes meest voorkomende doodsoorzaken in Nederland (6) en is de op drie na meest invaliderende aandoening in Europa (7). De zorgkosten bedragen in Nederland 1 miljard euro per jaar (1,1% van de totale zorgkosten).

De behandeling van COPD

De behandeling van COPD start primair met het voorschrijven van medicatie om klachten te verminderen en de longfunctie te optimaliseren. Zelfs bij een optimale medicamenteuze behandeling ervaren patiënten nog steeds een hoge dagelijkse symptoomlast (1). Een fysiotherapeut kan via verschillende interventiemogelijkheden aan de behandeling van deze aandoening bijdragen. Daarmee kan een afname van symptomen, verbetering van het inspanningsvermogen, afname van angst en depressie en een verbetering van kwaliteit van leven gerealiseerd worden (8, 9).

Verbeteren van fysieke activiteit, fysieke capaciteit en ademhaling

De fysiotherapeut heeft bij COPD-patiënten drie fysieke hoofdaangrijpingspunten: de fysieke activiteit, de fysieke capaciteit en het adembewegingsapparaat. Het behalen van voldoende fysieke activiteit is een belangrijk onderdeel binnen de behandeling van COPD. Hierbij wordt gestreefd naar de gezondheidsnorm (10). Het activiteitenniveau is bij het merendeel van de patiënten met COPD lager dan dat van de algemene populatie (11, 12, 13). Het behalen van de norm blijkt voor veel patiënten dan ook niet haalbaar. Ongeacht het beginniveau leidt een vergroting van het dagelijks aantal stappen met 600-1100 stappen tot een afname van het risico op een ziekenhuisopname als gevolg van een longaanval (14). Het is daarom belangrijk dat gepersonaliseerde en haalbare doelen, samen met de patiënt, worden opgesteld.

Ook het vergroten van de fysieke capaciteit bij patiënten met COPD is een essentieel element van de behandeling (15). Dit kan gerealiseerd worden d.m.v. fysieke training (16). Naast het verbeteren van de fysieke capaciteit, zorgt de fysieke training ook voor een afname van de dagelijkse symptomen, zoals kortademigheid, vermoeidheid, angst en depressie, en een toename in de kwaliteit van leven, ondanks het gelijk blijven van de mate van de longfunctie (8, 17, 18). Er zijn verschillende vormen van fysieke training mogelijk om bij de COPD-patiënt verbetering of optimalisatie van de fysieke capaciteit te bereiken. Welke vorm van training gekozen wordt is afhankelijk van de beperkende factoren waar de individuele COPD-patiënt mee van doen heeft. De nieuwe KNGF-richtlijn COPD (die binnenkort wordt opgeleverd) zal leidend zijn in de keuzes die de therapeuten maken op basis van de metingen en de aangedragen effectieve behandelopties.  

Tot slot kunnen ademhalingstechnieken en ademspiertraining effectief ingezet worden om kortademigheid te verminderen en het beteren van fysieke activiteit te ondersteunen (19, 20, 21, 22, 23).

Leefstijlverandering en zelfmanagement

Naast de hierboven genoemde aangrijpingspunten, kan de therapeut nog verdere elementen verwerken binnen de behandeling om deze zo effectief mogelijk te maken. Samen met de patiënt kan een plan gemaakt worden om de leefstijl te veranderen. De fysiotherapeut kan tijdens de vele contactmomenten een coachfunctie bekleden, aangezien het merendeel van de COPD-patiënten ondersteuning nodig heeft om leefstijlveranderingen te realiseren (24). Ook heeft de therapeut voldoende mogelijkheden om aandacht te geven aan voorlichting, educatie en het verbeteren van zelfmanagement. Eigen regie en zelfmanagement zijn essentieel in het omgaan met een chronisch, progressieve ziekte (25). Naarmate patiënten het gevoel hebben dat zij meer regie hebben over hun leven, zal de ervaren kwaliteit van leven ook beter zijn (26, 27). Echter is van patiënten met COPD bekend dat 46% onvoldoende of beperkt gezondheidsvaardig is (26) en 40% een cognitieve stoornis ervaart (28). Dit vermoeilijkt het opnemen van kennis en het onthouden van adviezen, waardoor veelvuldige aandacht en herhaling van kennisoverdracht noodzakelijk is. Zelfmanagementinterventies worden geassocieerd met een toegenomen kwaliteit van leven en een afname in ziekenhuisopnames bij patiënten met COPD (29, 30, 31, 32, 33). Welke interventie passend is heeft te maken met de persoonskenmerken van de patiënt. Ook hierover voorziet de KNGF-richtlijn COPD.