Bewegingsangst bij hartpatiënten en de rol van motivational interviewing

03 november 2020

Door Stijn van Merendonk en Rosa Holtslag-Roelvink

 

Tijdens het digitale Chronisch ZorgNet congres gaven wij, Stijn van Merendonk en Rosa Holtslag-Roelvink, een presentatie over bewegingsangst bij hartpatiënten. Vanwege de vele onbeantwoorde vragen tijdens onze sessie hebben we een blog geschreven om jullie nog eens mee te nemen in dit onderwerp.

Hoe vaak komt bewegingsangst bij hartpatiënten voor?

Een bepaalde angst, vooral na een acuut cardiaal event is heel logisch en normaal. Deze hartangst ebt meestal na enkele weken weer weg. Echter bewegingsangst, soms subtiel omdat de vermijdingsstrategie wordt ingezet, kan langer bestaan of in een later stadium optreden.

Recent onderzoek van Paul Keessen laat zien dat bijna de helft van de hartpatiënten die starten met hartrevalidatie last heeft van bewegingsangst. Hartpatiënten die behandeld zijn middels medicatie blijken een grotere kans te hebben om angstig te zijn voor inspanning dan patiënten die zijn geopereerd (PCI/Bypass).

Hoe wordt bewegingsangst vastgesteld?

De tampa-hart vragenlijst (vertaald naar Nederlands) is een valide meetinstrument om bewegingsangst te objectiveren. Daarnaast kun je in de praktijk (patroon)observaties, het multidisciplinaire overleg en het verloop van een maximale inspanningstest hiervoor gebruiken. 

Op dit moment zijn maximale inspanningstesten nog een vereiste binnen de hart- en ook longrevalidatie. Deze zijn tevens binnen de eerste lijn goed bruikbaar. Als fysiotherapeut kun je hier zeer relevante gegevens uit halen om in jouw behandeling te integreren. Denk aan de beperkende factoren (hart-long-musculair) maar ook de maximale inspanningstolerantie, het bloeddruk/hartslag-beloop en de reden van stoppen; soms de angst om door te gaan.

Het (logische) beloop

Bewegingsangst kan in sommige gevallen, mede door (positieve) ervaringen en blootstelling aan lichamelijke activiteiten, minder worden en verdwijnen. In andere gevallen is het hardnekkiger en is er wellicht meer nodig dan de (nieuwe) bewegingservaringen op zich. Het angst- en vermijdingsmodel hieronder geeft goed weer dat iemand ook de linkerbocht in kan schieten. Door de ervaring te catastroferen, het te willen controleren (bijv. constant meten van eigen bloeddruk of hartslag) of te vermijden kun je in de neerwaartse cirkel van inactiviteit en stress terechtkomen met alle risico’s van dien.

Motivational interviewing bij bewegingsangst

Het bespreekbaar maken van eventuele bewegingsangst kan heel zinvol zijn. Patiënten voelen zich gezien en gehoord. Pas op voor de reparatiereflex door gelijk informatie te geven of ongevraagd aan de slag te gaan. Met de juiste technieken kun je zo veel mogelijk verandertaal uitlokken. Vergroot ook de autonomie van de patiënt. Hieronder de antwoorden op een paar veelgestelde vragen.

Hoe maak je bewegingsangst bespreekbaar zonder dat je in behoudtaal blijft hangen?

Dit zit hem vooral in het soort vragen die je stelt. Vragen als ‘hoe komt het dat u bang bent?’ of ‘waar bent u precies bang voor?’ ontlokken dat een patiënt gaat uitleggen waarom hij bang is. Dat is niet alleen behoudtaal maar het zorgt er ook voor dat de patiënt een logische verklaring voor zijn angst geeft en hoe meer hij dat zichzelf hoort zeggen hoe sterker hij er ‘in gaat geloven’. Met vragen als ‘hoe is het voor u om angstig te zijn?’ of ‘wat zou het u opleveren als u niet meer angstig was?’ het hetzelfde onderwerp, namelijk het bespreken van bewegingsangst, ineens verandertaal worden. En met vragen als ’hoe zou u de angst kunnen verminderen?’ wordt het zelfs actietaal.

Tips om het zelfvertrouwen van patiënten te vergroten

‘Hoe kun je zelfvertrouwen bij de patiënt vergroten?’ was een vraag die aan ons gesteld werd. Dit is een lastig onderwerp, vooral omdat wij eigenlijk niet het vertrouwen van de ander kunnen vergroten. Je kunt het niet “installeren” bij de ander. Het moet vanuit de patiënt zelf komen. Wat wij natuurlijk wel kunnen doen is het ontlokken van verandertaal t.a.v. vertrouwen (ook wel vertrouwenstaal genoemd). Dit doe je bijvoorbeeld door de patiënt te laten nadenken over waar hij/zij wél vertrouwen in heeft. Een manier omdat te doen is met de vertrouwensliniaal. ‘Hoeveel vertrouwen heb je op een schaal van 0 tot 10 dat je de verandering kunt waarmaken?’, ‘en waarom een 3 en bijvoorbeeld geen 0? En wat heb je nodig om naar een 5 te gaan?’

Daarnaast zou je ook kunnen:

  • Terugkijken op vroegere successen: wanneer heb je met succes iets veranderd? Hoe heb je dat toen gedaan?
  • Sterke kanten van iemand bespreken: noem eens enkele kwaliteiten van jezelf. Welke van deze kwaliteiten zouden je kunnen helpen om deze verandering te laten lukken?
  • Hulpbronnen bespreken: wie of wat zou je kunnen helpen om dit voor elkaar te krijgen?

Wat als de patiënt zich overschat?

Als overschatten betekent: ‘iemand gaat iets doen, wat hij/zij denkt te kunnen maar eigenlijk helemaal niet kan’ is dat natuurlijk ongewenst en in sommige situaties zelfs gevaarlijk. Stuur in dat geval zeker naar reële stappen. Geef zo nodig extra informatie of spreek je zorg uit: ‘ik merk dat ik me zorgen maak over wat u van plan bent. Mag ik die met u delen?’. Wat in de praktijk echter ook vaak gebeurt is dat iemand iets heel graag weer wil kunnen, waarvan wij denken (of weten) dat dat niet (meer) reëel is. Echter: ‘iets graag weer willen kunnen’ is wel een belangrijke component van intrinsieke motivatie. Als je dat gaat afzwakken/reëel probeert te maken neemt iemands motivatie af. Dat zou ervoor kunnen zorgen dat een patiënt, bij wijze van spreken, helemaal niet meer van de bank af komt. 

Samenvat: irreële wens laten bestaan en wel bijsturen naar reële eerste stapjes op weg naar een irreële wens. Irreële cognitie over wat iemand morgen wil gaan doen bijsturen!

Overige tools binnen beweegprogramma

Voor sommige patiënten kan het werken om de focus te verleggen en ervaringen op te doen in een speelsere vorm dan tijdens een wandeling of op een hometrainer. Laat je creativiteit in de oefenzaal maar eens los en betrek hierbij ook vooral andere patiënten van ongeveer hetzelfde niveau of dezelfde levensfase. Het principe ‘hoe meer zielen, hoe meer vreugd’ gaat hierin echt op, en de ervaring leert dat lotgenoten veel steun aan elkaar kunnen hebben. Plezier is een belangrijke parameter voor succes, ook op de langere termijn. En vergeet vooral niet te onderstrepen wat al wél lukt, hoe klein of vanzelfsprekend ook. Alles wat je aandacht geeft groeit!

Ook kan het werken om oefeningen te doen t.a.v. bewustwording en ontspanning. Laat de patiënt stil staan bij lichamelijke sensaties en de hierbij optredende gedachten. Of werk aan een functionele en vertraagde ademfrequentie. Zoals door ademhalings- en meditatieve oefeningen.  

Tot slot kan het betrekken van naasten heel wenselijk zijn, soms zijn de partner of kinderen minstens zo bang geworden of kan/mag de patiënt al veel meer dan hij eigenlijk denkt. En blijft alert. Bewegingsangst kan de revalidatie zo in de weg komen te staan dat consultatie van een psycholoog wenselijk is. In samenwerking met de patiënt, verwijzer en/of je eigen netwerk betrek je ook deze discipline bij een zo optimaal mogelijk traject.

Nog meer vragen?

Tijdens de presentatie zijn er nog veel meer vragen binnengekomen waar nu we nu nog niet op in zijn gegaan, bijvoorbeeld over de verschillende testen van het inspanningsvermogen en het inventariseren van het hartgerelateerde risicoprofiel ook bij de PAV- of COPD-patiënten. Je kunt deze vragen nog stellen via info@chronischzorgnet.nl. Wij zorgen ervoor dat deze individueel, via de website of bijvoorbeeld in een ander blog worden beantwoord.

Terug naar overzicht